Geschiedenis van de leerindustrie in Ravenstein

RAVO is niet alleen een begrip geweest voor Ravenstein en directe omgeving, maar voor het gehele buitengebied. Een bedrijf, dat zijn grote opgang kende en zijn schoenproductie opbouwde, toen de schoenindustrie in geheel Nederland begon terug te zakken. Het principe van RAVO was: ‘een kwaliteitsschoen brengen en dat ook aan de consument kenbaar te maken’.

Herkomst van de naam RAVO

RAVO werd aan Ravenstein gelinkt door F. v.d. Heuvel, zoon van een boekhandelaar uit Ravenstein, hoofdredacteur van de Volkskrant en schrijver in de Katholiek Illustratie onder de schuilnaam Ravo. Hij verzon de fabel van drie Oosterse prinsen die Ravo (Ravenstein), Bato (Batenburg) en Mago (Megen) zouden hebben gesticht.

De periode Suermondt

RAVO was reeds een looierij toen Johan Jos Suermondt, winkelier in manufacturen te Ravenstein in de zomer van 1852 deze kocht van K. Gernes. Het klinkt misschien vreemd dat een winkelier kiest voor het looiersvak, maar het wordt al duidelijker als we er bij vermelden dat de vrouw van Suermondt uit het aloude schoenmakersgeslacht Donkers stamde. Een naam, die thans nog met ere in de schoenindustrie wordt genoemd.
 
De familie Donkers had reeds tussen 1820 en 1830 een flinke schoenmakerij met acht à negen knechten. Het is daarom niet verwonderlijk, dat mevrouw P.M. Suermondt-Donkers na de aankoop van de looierij er onmiddellijk toe overging om een schoenmakerij te stichten. Als eerste bedrijfsleider trad haar vader Henri Donkers op. Het was in die dagen nog uitsluitend handwerk.
 
Er moest hard worden gewerkt, want de Hollandse winkeliers verstonden de kunst om goedkoop in te kopen, terwijl de Brabantse patroon en werkman tevreden waren met een sober bestaan en met een kleine winst en een klein loon genoegen namen, zonder zich af te vragen of hun geploeter en gesjouw niet méér op dienden te brengen.
 
In deze tijd, nu bijna iedere Nederlander een eigen auto heeft, kan men zich moeilijk voorstellen, dat de Brabantse schoenpatroon in die tijd zijn gemaakte werk zelf in een korf op de schouders of de rug nam, daarmee over Batenburg en Tiel naar Utrecht kuierde en dan thuis gekomen aan moeder de vrouw, die de ouderwetse spaarzaamheid eerde, niet durfde te vertellen dat hij zo vrij was geweest een paar kwartjes uit te geven aan de trekschuit, die hem van Utrecht verder had gebracht naar Amsterdam.
 
Een dergelijk feit mag illustreren hoe in die tijd alle mogelijke onkosten van de zaak werden besnoeid en misschien ook wel moesten worden besnoeid om het bedrijf lonend te houden. Johan Jos Suermondt kreeg een zoon: Ignaat. Die kraaide nog in de wieg toen zijn vader de leerlooierij en schoenmakerij ging uitoefenen. Ignaat groeide met het bedrijf op en koos het tot zijn vak. Als jongeling al maakte hij zich zelfstandig door in 1885 een eigen looierij en een schoenmakerij met thuiswerkers te vestigen.
 
Het was in de vorige eeuw in de Brabantse leder- en schoennijverheid een tijd van hard werken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gezwoegd; ’s zomers 13 uur en ’s winters 12 uur per dag. Er werd niet gezwoegd aan het hedendaagse soepele overleer of zachte zoolleer, maar aan het stugge vetleer en grauw overleer, dat op de ouderwetse manier met schors werd gelooid.
 
Dat gebeurde op ongeveer dezelfde wijze als het vaste kernige zoolleer, dat alleen door het touwen (bewerkingen na het looien) enige zachtheid kreeg. Voor de jonge Ignaat was echter niets te zwaar. Hij was als eerste ’s morgens op het werk en ging altijd als laatste weg. Daarnaast had hij nog tijd om zijn arbeiders driemaal in de week vóór het werk begon, een uur les te geven in lezen, rekenen en schrijven.
 
Door die ‘cursussen’ leidde hij zijn personeel op tot ‘meesterknecht’. De vrouw van Ignaat was in die tijd zijn ‘kantoorbediende’. In 1888 kocht Ignaat de bedrijven van zijn vader over en kreeg hij een bedrijf van ongeveer tachtig personeelsleden. Per week werden ongeveer 1.200 paar poets- of gewastleren laarzen gefabriceerd en uit het afval werden sokschoenen en pantoffels gemaakt.
 
Met voortvarendheid, ondernemingslust en zakeninzicht ging Ignaat Suermondt van start. Het duurde niet lang of de eerste machines kwamen naar Ravenstein. In 1890 kocht hij in Frankfurt de eerste Velocitas snelpenmachine voor voet- en krachtbeweging en de kantenschrooi-machine.
 
Voor de klanten werd dat echter een paar jaar angstvallig geheim gehouden, want in die periode genoot het machinale ‘gedoe’ bij de afnemers weinig vertrouwen. In de looierij werden in 1900 de eerste looi- en walkvaten opgesteld. De in dat jaar daarvoor aangeschafte, met stadsgas werkende gasmotor van 11 pk, bleek te zwak om alles te kunnen trekken en hij werd in 1901 vervangen door een zuiggasmotor van 35 pk, die in 1918 het veld moest ruimen voor een motor van 70 pk.
 
De wijzigingen in de looierij gingen echter verder. Vroeger werd in de Maas ‘gestroomd’ (de huiden geweekt), maar daarop kwam Ignaat terug door zwavelnatrium te gaan gebruiken, een product dat in die tijd zijn intrede in de looierij deed. Tegelijk werd het smarten (rottingsproces om de haren los te weken) vervangen door kalken. Aan het kuipleer paarde zich het vachtleer en het ouderwetse gewastleer werd in 1895 verdrongen door het boxrunds en het ouderwetse vetleer kreeg chroomvetleer naast zich.
 
De zaken marcheerden goed. Zo goed zelfs, dat Ignaat soms geen tijd had om op reis te gaan, maar al zijn tijd moest besteden aan het beheer van de fabriek. Toen zijn kinderen groter werden kreeg hij assistentie. De oudste, Willem, bezocht in 1912 een jaar lang de looierijschool in het Engelse Leeds en woonde daar colleges bij van professor Procter om zich in de looierij te bekwamen.
 
De tweede zoon, Johan, maakte in 1915 zijn studies in de looierij-afdeling van de Rijksschool te Waalwijk af en kwam in 1918 in de zaak. Ignaat was er toen van overtuigd, dat zijn twee zoons het wel zouden runnen en trok zich uit de zaak terug.
 
Na het volgen van een tweejarige schoenmakerscursus in Waalwijk, kwam ook de jongste zoon Piet in de zaak. De grote man die veel Ravensteiners zich echter nog herinneren is Willem Suermondt geweest, die in 1952 met pensioen is gegaan. Willem was een integere man en genoot in Ravenstein hoog aanzien. Hij was ook een erg godvruchtig iemand, want hij liet zijn personeel vaak op zaterdag om half één stoppen (er moest tot één uur worden gewerkt), om nog een half uur te bidden voor het Mariabeeld op de binnenplaats. De mensen werden echter mondiger en de looierij werd niet door iedereen in dank afgenomen. De looierij mondde uit in de stadsgracht. De stank was soms niet te ‘harden’, terwijl het aangezicht van de gracht vaak werd ontsierd door een vieze blubber.

Hendriks neemt het bedrijf over

Willem kreeg een moeilijke tijd. In 1933 ging het bedrijf failliet, maar werd overgenomen door de firma Hendriks uit Nijmegen, een zwager van Willem. In 1933 werd opgericht Ravo Leder- en Schoenfabrieken N.V. Het bedrijf werd draaiende gehouden tot juni 1941, toen de firma Heijbroek het opkocht voor 16.000 gulden.
 
Willem was en bleef echter directeur, want iedereen was overtuigd van zijn capaciteiten. De heer P. Heybroek was mededirecteur. Het machinepark was verouderd en de leerfabrikant Willem Pessers uit Tilburg noemde de 16.000 gulden veel geld ‘voor zo’n schroothoop’. Op 1 januari 1952 ging Willem met pensioen. Het eeuwfeest is nooit gevierd, omdat het bedrijf juist in dat jaar een grote verandering onderging.

Andere leiding na de periode Suermondt

Na het pensioen van Willem Suermondt werd de dagelijkse leiding in handen gelegd van de heren G.A.A. Bakker en J. Rozendaal. Willem bleef aan als adviseur.

Periode van bloei onder de directie Theeuwes

Drs. Harry Theeuwes kwam in op 1 juli 1956 als directeur en werd een medeaandeelhouder. Per dezelfde datum is de heer P. Heybroek afgetreden als directeur. In 1959 verhuisde het bedrijf naar de Mgr. Borretlaan, omdat iedereen de oude fabriek in de binnenstad van Ravenstein ‘goed zat’ was. De looierij werd afgestoten, want daarvoor had de gemeente Ravenstein geen interesse.
 
Thies Theeuwes trad in 1962 toe tot het bedrijf en maakte deel uit van de dagelijkse leiding. In 1964 werd de eerste uitbreiding een feit. De fabriek kreeg een nieuw magazijn. In 1965 en 1967 werd de productiehal vergroot en in 1968 werd het magazijn al weer vergroot. Inmiddels waren de kantoren ook uitgebreid een heeft RAVO een hypermoderne kantine voor het personeel.
 
Bij de RAVO werden uitsluitend werkschoenen gemaakt. In 1961 ging RAVO voor de productie hiervan gebruik maken van een nieuwe technische ontwikkeling, waarbij via het direct moulding-systeem zolen werden aangevulkaniseerd.
 
Bij de speurtocht naar nieuwe systemen en technieken kwam Harry Theeuwes rond 1960 in contact met de grote Engelse schoenfabriek G.B. Britton and Sons in Bristol, die in Engeland faam had gemaakt met hun Tuf-schoenen en de daarvoor geldende garantietermijn van 6 maanden. Daaruit groeide een samenwerkingverband, nl. op het gebied van techniek en know how, waarvoor Britton zich in het Ravensteinse bedrijf inkocht.
 
Het merk Tuf stuitte in Nederland op bezwaren van de firma Huf, waarop besloten werd de naam Fut te kiezen. Een naam waarmee veel furore werd gemaakt. Sinds 1962 kende het bedrijf een opzienbarende groei. Met percentages van tien, twintig en soms dertig procent, bleef het bedrijf tot 1970 jaarlijks groeien.
 
Sindsdien is de productie gestabiliseerd en zijn de groeicijfers kleiner. Deze groei leidde tot een aanpassing van de bedrijfsstructuur. De productie bestond in die jaren voor ca. 85% uit heren- en jongensschoenen en voor 15% uit werkschoenen met aangevulcaniseerd onderwerk en veiligheidsschoenen. In 1977 bestond RAVO 125 jaar. Een mijlpaal, die voor het 180 koppen tellende personeel een feestelijke dag werd. In dat jaar bedroeg de productie zo’n 10.000 paar schoenen per week. In mei 1986 is gaat het bedrijf failliet. In september van dat jaar wordt een doorstart gemaakt met 20 werknemers door de heer De Harder. In 1991 wordt het bedrijf definitief gesloten. De werknemers gaan werken in Drunen.